Bezwaarschrift mbt inhoud en procedure 'Lauwersmeer' dd. 9 juni 2005

Aan: Gedeputeerde staten van Groningen

t.a.v. gedeputeerde H. Bleker

Postbus 610
9700 AP Groningen

Aan: Gedeputeerde staten van Fryslân

t.a.v. gedeputeerde P.A. Bijman

postbus 20120

8900 HM Leeuwarden

Haren, 9 juni 2005

Betreft: bezwaarschrift voortgang Lauwersmeervisie

Geachte heren Bleker en Bijman,

De stichting Natuurwater wil met dit schrijven haar bedenkingen en bezwaren aan u kenbaar maken ten aanzien van het voorgenomen besluit over de voortgang van de Lauwersmeervisie. Onze stichting is het afgelopen jaar opgericht, en wil een brugfunctie vervullen tussen het waterbeheer, het natuurbeheer en de ruimtelijke ordening in Noord Nederland. Kernbegrippen daarbij zijn schoon water, natuurlijk watersysteem en duurzame ontwikkeling.

De wending die de provincies Groningen en Friesland en de waterschappen Noorderzijlvest en Fryslân op dit moment aan het ontwikkelingsproces in het Lauwersmeer willen geven baren ons ernstig zorgen. We hebben zowel bij de gevolgde procedure als de inhoudelijke keuzen ernstige bedenkingen en bezwaren. Verder denken we dat de voorstelling van zaken op een aantal punten geen recht doet aan zowel de Europese regelgeving als aan het nationaal en provinciaal beleid. Op die punten bevat uw huidige voorstel ernstige leemten.

Inmiddels is er door een aantal natuur- en milieuorganisaties een reactie gegeven op uw voorstel in de vorm van het rapport Stroomlijnen. De hierin opgenomen visie ondersteunen wij, zeker waar het gaat om het ter discussie stellen van het gemaal te Lauwersoog, en het pleidooi voor de estuariene variant. In onze reactie richten wij ons in hoofdzaak op het Lauwersmeer als onderdeel van een natuurlijk watersysteem, en willen we de in het rapport Stroomlijnen genoemde bezwaren aanvullen.

Visie Natuurwater

De toestand van de natuur is zorgwekkend in onze regio. Rapporten spreken van een langzame maar gestadige afname van biodiversiteit en natuurwaarden. Alhoewel er een marginale toename is van het areaal natuurgebied, loopt de gemiddelde kwaliteit terug. De toename van een aantal (meer algemene) soorten kan niet verhullen dat er nog steeds zeldzame soorten verdwijnen. Voornaamste oorzaak kan worden gezocht in het intensieve karakter en de hoge dynamiek van het landgebruik in combinatie met een te hoge milieubelasting. Ondanks de afname daarvan zet de trend van afname van natuurwaarden zich voort.

In de visie van de stichting Natuurwater is herstel van het natuurlijke watersysteem een belangrijke drager en uitgangspunt voor landschappelijke ontwikkeling en natuurherstel. Herstel van de natuurlijke relaties in de watersysteemopbouw van bron tot zee zal hier in belangrijke mate aan bijdragen. Vanuit die optiek bezien wij ook de doelstelling van de Europese Kaderrichtlijn Water, die als kern het herstel van natuurlijke ecologische relaties heeft. Vooral op het hoogste abstractieniveau, dat van het stroomgebied, is het zaak de verschillende componenten van onze beeksystemen te beschouwen. Een stroomgebiedsbenadering vanuit ecologisch en hydrologisch perspectief dus.

Het Lauwersmeer is van oorsprong de feitelijke monding van de beeksystemen van Hunze, Drentse Aa en Peizer- en Eelderdiep, die hier via het Reitdiep naar afwaterden. In de loop van de tijd zijn er veel ingrepen uitgevoerd in het natuurlijke watersysteem, om van de mens uit bezien heel legitieme redenen. Daadoor is er echter wel een grote verstoring, vervuiling en versnippering ontstaan. In het Lauwersmeergebied gaat het daarbij vooral om de zoet-zoutovergang en het getij. In de afgelopen 150 jaar is de zoet-zout overgang teruggedrongen uit de provincie naar Zoutkamp, naar de toenmalige Lauwerszee. In de loop van de afgelopen 37 jaar, na de inpoldering, is zoet-zout overgang nog verder verschoven naar de sluizen bij Lauwersoog.

Wij zien in de huidige ontwikkeling een unieke kans om de zoet-zout overgang iets van zijn natuurlijke status van 150 jaar geleden terug te geven. Daarmee wordt een heel belangrijke stap gezet op weg naar herstel van een zo natuurlijk mogelijk afwateringssysteem van Groningen, Friesland en Drenthe. Elk watersysteem is opgebouwd uit een aantal deelstroomgebieden met elk zijn eigen morfologische, ecologische en fysische kenmerken. Zo’n watersysteem is als een ketting, waarvan elke schakel telt. Het is daarom dat wij zo’n groot belang hechten aan herstel van zoet-zout en (gedempte) peildynamiek in het Lauwersmeer.

In het navolgende willen we reageren op de gevolgde procedure, de beleidsmatige en wetmatige aspecten en de voorgestelde inhoudelijke keuzen voor het Lauwersmeer.

Gevolgde procedure

In onze ogen hebben waterschappen en provincies een “coup” gepleegd. In een volstrekt volgens de regels en afspraken verlopend proces is er tot oktober / november 2004 gewerkt aan de uitwerking van een integraal ontwikkelingsplan voor het Lauwersmeer. De afspraak bij de instelling van het Nationaal Park was: door samenwerking met alle betrokken partijen tot een gemeenschappelijke visie te komen. In de eerste fase van dit planproces zijn alternatieven ontwikkeld waarin combinaties van waterberging en natuur zijn onderzocht, tegen de achtergrond van bestaande functies zoals landbouw, recreatie, bewoning en bedrijvigheid. Uit die studie zijn een aantal aanbevelingen gekomen voor een nadere inkadering van de alternatieven in de tweede fase. Hierover bestond naar ons weten draagvlak bij alle betrokken organisaties. Toch heeft u gemeend om als provincies samen met beide waterschappen tot een bijstelling van het traject over te gaan, waarbij de andere partijen zijn uitgesloten. Wij hebben als organisatie zelfs ondervonden dat er aan ambtenaren van uw dienst zwijgplicht is opgelegd! Naar aanleiding van vragen onzerzijds werd medegedeeld dat men hierop geen antwoord mocht geven van hogerhand. Gezien de aard van het voorstel en de besluitvorming komt dit ons zeer vreemd voor. Aangezien het gaat om een bijstelling van regulier beleid, en er geen (financiële) belangen van de provincie in het geding zijn, ontbreekt elke maatschappelijke legitimatie voor een dergelijke handelswijze. We zijn van mening dat dit u zwaar valt aan te rekenen.

Naast dit procedurele bezwaar vinden wij dat de buitensluiting van betrokken organisaties in dit stadium ook maatschappelijk niet door de beugel kan. Vooral gezien de natuurdoelstelling die het Lauwersmeer onder de NB-wet kent, is deze buitensluiting buitenproportioneel. Het getuigt van een machtspolitiek die wij in ons “polder”bestel niet gewend zijn, en die naar wij hopen na deze gebeurtenissen ook onmiddellijk weer uitgebannen zal worden.

Al met al is er ons inziens van een zeer laakbare handelswijze sprake. We hopen dat daar bij de behandeling van uw voorstel goed over gesproken wordt.

Leemtes ten aanzien van beleid en regelgeving

In onze visie baseren wij ons op de stroomgebiedsbenadering. In uw voorgenomen besluit missen wij echter de afwegingen op dit niveau. In uw beleid zoals dat verwoord is in de stroomgebiedsvisie voor Groningen en Noord Drenthe en het rapport Berging en afvoer van water in Fryslân zijn de relaties met het WB21 gedachtengoed wel gedefinieerd. Het is voor ons niet te begrijpen dat een goede doorwerking van dit beleid in uw analyse nagenoeg ontbreekt. Daarmee wijkt u in onze ogen ongemotiveerd af van het landelijk beleid zoals dat is geformuleerd in de regeringsnota Anders omgaan met water.

In het provinciaal omgevingsplan Groningen (POP) lezen wij in paragraaf 24, Ruimte voor water, dat de provincie Groningen kiest voor een natuurlijker inrichting van onze waterhuishouding. Provincie Groningen geeft daarin aan te streven naar het behoud en herstel van het natuurlijke karakter van de waterhuishouding, waar bij ingrepen in de waterhuishouding technische oplossingen altijd worden afgewogen tegen meer natuurlijke. In zijn algemeenheid vertoont het POP beleid grote overeenkomst met de visie van Natuurwater. Het is ons daarom onduidelijk waarom u in onderhavig voorstel af ziet van de oplossing die het natuurlijk karakter benadrukt, zoals u die juist in het POP voorstaat.

Om het Lauwersmeer uiteindelijk via de POP aanwijzing tot bergingsgebied te kunnen benoemen is een strategische milieu beoordeling nodig. We begrijpen dat deze beoordeling op dit moment voor de waterbergingsgebieden in Groningen en Noord Drenthe plaats vindt. Deze SMB schiet nu te kort omdat daarin de Lauwersmeer niet meegenomen wordt. Een SMB is pas nodig bij de feitelijke aanwijzing tot bergingsgebied. Dat gebeurt nu niet. Nu wordt alleen een keuze gemaakt van verder te onderzoeken scenario’s voor een toekomstige visie op de Lauwersmeer in relatie tot afwateringsproblematiek. De Lauwersmeer heeft al een bergingsfunctie, maar kan daarin geoptimaliseerd worden zo blijkt uit de resultaten van fase 1. De SMB die daarvoor moet worden opgesteld zal ernstig tekort schieten door het buiten beeld brengen van de estuariene variant. Uit fase 1 van de studie is gebleken dat deze variant het meest tegemoet komt aan de NB-wet doelstelling. Immers deze variant wijkt in termen van natuurbeoordeling wezenlijk af van de andere voorgestelde varianten door de combinatie van zoet-zout en peildynamiek. Nu voorsorteren zal in onze ogen worden afgestraft bij de toekomstige uitvoering van de SMB.

Zoals we betoogd hebben in onze visie ligt er in het Lauwersmeer een belangrijke uitdaging ten aanzien van herstel van het natuurlijk watersysteem Deze visie ligt direct in het verlengde van de NB-wet aanwijzing en de kernbedoelingen en het stand still principe van de Europese Kaderrichtlijn Water. Ook de verruiging van het Lauwersmeer heeft een directe relatie met het gevoerde waterbeheer, en valt in die zin onder de externe werking van de KRW. Immers, uit de studie van fase 1 blijkt dat de verruiging kan worden gestopt door de invoering van zoet-zout in combinatie met peildynamiek. Het stand still principe laat daarom in onze ogen weinig andere keus dan te kiezen voor de estuariene variant. Alle andere varianten leiden in termen van de KRW tot een achteruitgang en voldoen daarmee niet aan het criterium van handhaving van het stand still principe. Verder legt u in uw voorstel op volstrekt onvoldoende wijze de relatie met de doelstellingen die verwoord zijn in de NB-wet aanwijzing, waarin het grootschalige open karakter van het Lauwersmeer wordt benoemd. We denken dat u op deze punten ernstig in conflict raakt met zowel de NB-wet aanwijzing als met de uitvoering van de KRW. Hieruit vloeit in onze ogen voort dat het verder onderzoeken van de estuariene variant onvermijdelijk en zelfs bijzonder goed is.

Tot slot raakt u in conflict met de PKB Waddenzee. Om bovenstaande redenen is hierin de verplichting opgenomen om de zoet-zout overgangen langs de Waddenzee te verzachten. Er zijn nauwelijks natuurlijker plekken te bedenken om dat te realiseren dan juist ter plaatse van het Lauwersmeer. Het uitsluiten van deze variant is in onze ogen een bom onder de gehele uitwerking van zoet-zout overgangen in het kader van de PKB Waddenzee. Het kan toch niet zo zijn dat een regionaal besluit in deze boven een rijksbesluit gaat?

Inhoudelijke bedenkingen en bezwaren

We bespeuren in uw voorstel twee duidelijke tendensen: aansturing op de onvermijdelijkheid van een gemaal te Lauwersoog en uitbanning van het zoute water.

Het is bijzonder onduidelijk waarom het Wetterskip dit voorstel mede ondertekent. Als er namelijk gekoerst wordt op één gemaal in Lauwersoog, in plaats van eerst een gemaal in Dokkumer Nieuwe Zijlen, dan stijgt de extra bergingsbehoefte in NO Friesland met een factor 3!!!! (Resultaat studie fase 1) Dit gaat dus ten koste van boerenland, dit lijkt op dit moment even buiten beeld te zijn geraakt. Vermoedelijk realiseerde het Wetterskip zich dat ook, toen dijkgraaf van Erkelens op de bijeenkomst van de natuur- en milieuorganisaties meer ruimte voor onderzoek bood.

Het voorstel kan bewust onderdeel uitmaken van een strategie, om gemaal Lauwersoog meteen vanaf het begin ‘veilig’ te stellen, maar betekent feitelijk een omkering van zaken. Want als er in 2020 een (vele malen kleiner) gemaal bij Dokkumer Nieuwe Zijlen wordt aangebracht geeft dat in de Lauwersmeer ruimte tot 2080. Voor een gedeputeerde die een jaar geleden in het kader van de waterberging niet verder vooruit wilde kijken tot 2015 is het uiterst merkwaardig om nu te moeten constateren dat de situatie in 2080 als maatgevend wordt beschouwd. En dat dan onder het mom van duurzaamheid. Als het om duurzaamheid gaat vinden wij het vooral merkwaardig dat de heer Bleker nu al kiest voor het negeren van een van de beste beheersscenario’s voor de komende 80-120 jaar. Waarom ontneemt u toekomstige generaties denkbeeldig de kans om over 50-80 jaar zelf te beschikken over de Lauwersmeer met de kennis en mogelijkheden van dan?

In het huidige voorstel over het Lauwersmeer is er ons inziens sprake van een maatregel die te ver benedenstrooms wordt genomen. Daardoor treedt er per afstandeenheid te weinig verhang op waardoor alsnog problemen (te hoge waterstanden) bovenstrooms ontstaan, bijvoorbeeld in NO Friesland en rond de stad Groningen.  Aangezien het volledige onderzoek zich concentreert op het Lauwersmeer komt hier logischerwijs een maatregel uit die ver benedenstrooms ligt. Voor een studie naar de effecten van hoog water is dit nogal summier. Dan moet er namelijk naar het volledige systeem worden gekeken. Op dat moment komen ook andere maatregelen in beeld. Wat moet er bijvoorbeeld nog gebeuren in het kader van bodemdaling, en kan in dat kader water worden doorgevoerd naar een kustgemaal of naar HD Louwes? De varianten met omleidingen langs het Lauwersmeer zijn afgewezen om landschappelijke redenen maar er zijn verder westelijk van het Lauwersmeer mogelijkheden bij bijv. Holwerd. Andere mogelijkheden liggen bijvoorbeeld in het vergroten van de boezem door het koppelen van het Reitdiep aan het Lauwersmeer. Of deze maatregelen goede opties zijn kunnen wij u niet zeggen. De kern van de zaak is echter dat de Lauwersmeervisie verworden is tot een hoog water studie maar hiervoor feitelijk te smal is opgezet.

Naast het ontbreken van inhoudelijke argumenten ten aanzien van de gemalen, geldt dat ook voor het zoute water. Het lijkt er sterk op dat valse sentimenten op dit punt de overhand krijgen. Er is geen enkel verband aangetoond tussen zout water inlaat in het Lauwersmeer en verzilting van het grondwater. Er is geen enkele reden te bedenken waarom de landbouw in het Lauwersmeer niet meer volop zou kunnen functioneren. Er lijkt echter een zout-fobie in de hoofden van de bestuurders te zijn geslopen, waar de politieke praktijk hen snel van dient te genezen!

Wij denken dat er zo veel argumenten aanwezig zijn om een goede zoet-zout overgang te creëren, en peildynamiek terug in het Lauwersmeer te brengen, dat we er van overtuigd zijn dat de provinciale besturen ook tot dit inzicht zullen komen. Pas dan kan werkelijk sprake zijn van een duurzame oplossing.

Hoogachtend,

namens het bestuur van de stichting Natuurwater,

Jeroen Niezen, voorzitter

(Afschrift: drie Noordelijke Milieufederaties, SBB, LNV-Noord, RWS, Waterschap Noorderzijlvest en Wetterskip Fryslân)